Vaartactieken

Stroomtactieken onder de kust

Er staat meer getijstroom verder op zee (op dieper water) dan vlak onder de kust. De kentering zet als eerste in onder de kust. Bij tegenstroom varen we dus liever dicht onder de kust. Bij stroom mee kiezen we voor diep water verder op zee. Zie bijvoorbeeld de onderstaande afbeelding.

meer stroom op zee

in zeearmen en geulen staat de meeste stroom altijd in het midden van de geul of in de diepe buitenbochten.

Stroomrafels

Stroomrafels zijn stroomversnellingen in zee en zijn waar te nemen op de GPS door naar de COG en SOG te kijken of door te kijken naar het water. Als we bijvoorbeeld stroom mee hebben kunnen we proberen in de stroomrafels te blijven.

Meerdere kenteringen op 1 bezeilde koers

Als we bijvoorbeeld van IJmuiden naar Engeland willen zeilen en de koers is bezeild (kruisen is niet nodig), dan corrigeren we beter niet voor stroom, omdat we niet per se op de rechte grondkoers hoeven te blijven. We houden liever zoveel mogelijk een vaste Behouden Ware Koers (BWK) aan en dus ook een vaste koers op het kompas en laten ons dus door de stroom bijvoorbeeld 6 uur naar het noorden verzetten en daarna weer 6 uur naar het zuiden. De grondkoers blijft dan geen rechte lijn, maar de weg door het water wel en is dus de kortste weg. En we varen tenslotte door het water, niet over de grond. Door windmolenparken, ondieptes, aanbevolen oversteekplaatsen voor verkeersscheidingsstelsels is deze tactiek niet altijd mogelijk, maar probeer ervan te profiteren als het wel kan.

Stroomwind

Schijnbare wind is de resultante van de ware wind, vaartwind en stroomwind. Stroomwind staat recht tegen de stroom in en is even hard als de stroomsnelheid.

Bij een oversteek naar Engeland waarbij we moeten kruisen houden we altijd stroom over lij. Op die manier komt de schijnbare wind ruimer in en is sterker waardoor de VMG (dat is de snelheid recht op ons doel af) hoger zal zijn. De koers hoog aan de wind is meer richting ons doel en we blijven dicht bij de rumbline. Als de stroom kentert gaan we overstag en houden weer de stroom over lei.

stroomwind

Winddraaingen 

Als we verwachten dat de wind gaat draaien door de verplaatsing van een hoge of lage drukgebied, dan maken we altijd eerst de slag in de richting naar waar de wind naar toe gaat draaien. Dit voorkomt dat we het laatste stuk moeten kruisen.

Oscillerende windshift

Oscillerende windshift zijn ritmische windschiftingen. Als bij het opkruisen de wind ten nadele van ons draait waardoor de hoek naar ons doel groter wordt noemen we dat een header, het tegenovergestelde een lift. Op open water kunnen we deze windschiftingen zien op ons kompas. We gaan overstag bij een header en profiteren van elke lift.

Windbanen

Windbanen zijn bij weinig wind goed waar te nemen door naar donkere plekken op het water te kijken. ’s nachts kijken we naar de windmeter. We proberen natuurlijk altijd in de windbanen te blijven.

Wind onder wolken

Cumuluswolken ontstaan door stijgende lucht. De wind waait dus naar de cumuluswolk toe (tegen de wijzers van de klok in, zoals bij een lagedrukgebied). De lucht stijgt, koelt af en condenseert. Maar als de cumuluswolk eenmaal ontstaan is en zich verder ontwikkelt en ook hoger wordt dan draait dit om. Dat komt omdat eenmaal ontwikkelt tot een hoge wolk, er onder de cumuluswolk een schaduw ontstaat, waardoor daar juist weer afkoeling en dus dalende lucht ontstaat. Bij hoge, zich ontwikkelde cumuluswolken waait de wind juist weer van het centrum af.   

Gradiëntwind

De gradiëntwind op grote hoogte loopt parallel aan de isobaren, is veel harder en komt ruimer in dan de oppervlaktewind. Door onstabiliteit komt de gradiëntwind naar beneden, dit geeft harde vlagen die ruimer inkomen dan de oppervlaktewind. De oppervlaktewind is de wind op 10 meter hoogte. Hoe ruwer de oppervlakte hoe meer de wind krimpt. Op zee komt de wind dus ruimer in dan op land.

Gradientwind

Over bakboord door een bui

In de bui komt de gradiëntwind naar beneden dus ruimt de wind en wordt vlagerig. Dus bij het opkruisen varen we altijd over bakboord de bui door. Daarna krimpt de wind weer naar de normale oppervlaktewind.

Convergentie en divergentie

Convergentie en divergentie ontstaan doordat de wind op zee ruimt ten opzichte van boven land. Convergentie betekent dat de wind langs de kust wordt samengeperst en dus toeneemt. Divergentie betekent dat de wind langs de kuststrook uit elkaar splitst, wat leidt tot afname van de wind langs de kuststrook.

convergentie divergentie

In onderstaande afbeelding ziet u een eiland met aan de oostkant convergentie en aan de westkant divergentie.

Afbuiging

Afbuiging is het effect dat de meeste zeilers ook kennen van het zeilen met een Valk in Friesland. Soms is het mogelijk om bij het opkruisen in smalle slootjes een hele lange slag te maken door vlak langs de kant te blijven varen. Dit effect ontstaat doordat de wind op het water ruimt ten opzichte van op land.

afbuiging

Een ander voorbeeld van afbuiging waarmee u te maken kunt krijgen is wanneer u een haven wilt aanlopen aan hogerwal of als u tijdens een wedstrijd een boei net onder de hogerwal wilt ronden. U zal daar dus naartoe moeten kruisen. In de afbeelding is te zien dat u er rekening mee moet houden dat de wind gaat krimpen vlak onder de kust. De kans is heel groot dat als u over bakboord aankomt varen en de boei op grotere afstand lijkt te halen, dat u dan de boei of haveningang dat uiteindelijk toch niet zal halen, omdat de wind onder de kust nog gaat krimpen. U zal dan nog 2 extra slagen moeten maken. In een zeilwedstrijd zal dat niet goed uitkomen, want dan is de kans groot dat er een parade van boten met het zeil over bakboord komt aanvaren en u dus achteraan kunt aansluiten.

Kustwinden

Kustwinden bestaan uit overdag de zeewind en ’s nachts de landwind. Deze ontstaan door het temperatuurverschil tussen land en zee. op een zonnige dag ontstaat er een thermisch laag boven het strand, door de thermiek ontstaat een soort onderdruk die aangevuld zal worden met de zeewind. Deze winden strekken zich soms enkele mijlen ver uit op zee (hoe stabieler hoe verder) en is enkele Beaufort’s sterk. Het kan ook zijn dat deze kustwinden de wind (veroorzaakt door een hoog en lage drukgebied) doet veranderen langs de kust in zowel kracht als richting.

Landeffecten

Landeffecten zoals kaapeffecten en trechtereffecten, bijvoorbeeld tussen de eilanden, kunnen de wind en ook stroming lokaal sterk beïnvloeden. Hiervan kan geprofiteerd worden of u kunt er enorme hinder van ondervinden.

Vragen

Vraag 1: U vaart van Scheveningen naar IJmuiden. De wind is noordwest 3 bft. De stroom is zuidwest gaand. Gaat u dicht onder de kust varen of zoekt u juist het diepe water op?
a: verder op zee
b: dicht onder kust

Vraag 2: Waar verwacht u dat de kentering het eerst inzet en u stroom mee krijgt, onder de kust of op diep water?
a: verder op zee
b: dicht onder kust.

Vraag 3: Op een tocht naar Engeland zeilen we een kompaskoers van 270 graden. De stroom is noord. De schijnbare wind oostnoordoost. Verwacht u dat de wind gaat ruimen of krimpen na de kentering?
a: krimpen
b: blijft gelijk
c: ruimen

Vraag 4: U kruist op van Hoorn naar Lelystad tegen een oostenwind. Bij de slag over stuurboord vaart u een kompaskoers van 135 graden. Na een paar minuten ziet u dat de kompaskoers 145 graden is geworden. Is dit een header of een lift en wat doet u?
a: header, overstag
b: lift, doorvaren
c: header, doorvaren

Vraag 5: U vaart van IJmuiden naar Scheveningen. De wind een paar mijl uit de kust op zee is zuidzuidwest. Zal de wind dicht onder de kust krimpen of ruimen en wat doet u dus?
a: blijft dicht onder de kust
b: u koerst ver uit de kust

Vraag 6: U staat met de rug in de wind en heeft het land links, is er sprake van divergentie of convergentie?
a: Divergentie
b: Convergentie

Vraag 7: In de zomer vaart u voor de Maasmond, het rivierwater is relatief warm. Wat gebeurt er met de wind op zee voor de Maasmond?
a: wordt stabiel
b: wordt onstabiel
c: blijft gelijk

Vraag 8: Twee boten zijn aan het opkruisen richting een haven. Zij liggen nu aan de wind over stuurboord. Er komt een bui aan. Slechts 1 boot gaat net in de bui over stag en na de bui weer overstag. Welke boot is als eerste in de haven?
a: de boot die over bakboord de bui door ging
b: de boot die over stuurboord de bui door ging

Vraag 9: In de zomer maakt u een nachttocht van IJmuiden naar Scheveningen. Het is erg helder waardoor het ’s nachts flink afkoelt. De wind is westnoordwest en is zwak. Is het verstandig om vlak onder de kust te gaan varen of juist een paar mijl uit de kust?
a: verder op zee staat meer wind
b: dicht onder de kust staat meer wind

Vraag 10: Als u opkruist tegen een noordenwind en er een westgaande stroom staat, over welke boeg is de VMG-WIND dan het grootst?
a: Over bakboord
b: Over stuurboord

antwoorden

1b, 2b, 3c, 4a, 5a, 6a, 7b, 8a, 9a, 10b.