Meteorologie

Om de windsnelheid in te kunnen schatten kunnen we gebruik maken van de “Geostrophic wind scale”:

geostrophic wind scale
  • Meet op de weerkaart op uw locatie de kortste afstand tussen twee isobaren met een kaartpasser.
  • Kijk op welke breedtegraad u zit.
  • Lees de geostrophic wind af in de tabel.
  • Vermenigvuldig deze wind met een factor om de wind op zeeniveau te bepalen, afhankelijk van o.a. of u zich op land of op zee bevindt.
  • Ook de kromming van de isobaren is bepalend voor de windsnelheid. Bij een hogedrukgebied geldt: Hoe krommer hoe harder het waait. Bij een lagedrukgebied geldt: Hoe krommer hoe minder hard het waait.

Oefening weerkaarten lezen deel 2

Download de actuele weerkaart van de Metoffice en bepaal de windrichting en snelheid op een aantal locaties met behulp van de “Geostrophic wind scale” in de linkerbovenhoek en de onderstaande tabel.

 krimpen t.o.v. geowindpercentage van geowind
zee10 – 15 graden70 – 80 %
land overdag onstabiel20 – 30 graden50 – 60 %
land overdag stabiel30 – 40 graden30 – 40 %
land nacht40 – 50 graden10 – 20 %

Controleer uw inschatting aan de hand van de uitgeschreven weersverwachting.

Ontstaan en ontwikkeling depressie

Op de Atlantische Oceaan (de “keuken” van het Nederlandse weer) wrijven warme (zuiden) en koude (noorden) lucht langs elkaar. De koude lucht heeft een grotere dichtheid en er ontstaat een golf in het driedimensionale frontvlak. De relatief warme lucht hangt over de koude lucht in het noorden heen. Deze golf ontwikkelt zich tot een depressie ofwel lagedrukgebied met een warmtefront (herkenbaar aan een lijn met bolletjes), koudefront (herkenbaar aan een lijn met driehoekjes) en daartussenin een warme sector. Omdat de koude lucht zwaarder is haalt deze de warme lucht in er ontstaat een occlusiefront (herkenbaar aan een lijn met bolletjes en driehoekjes). Door de heersende winden is de trekrichting in Europa altijd in oostelijke richting.

frontale depressie

Een warmte front kondigt zich altijd aan met cirrus bewolking, dit zijn windveren (ijskristallen op grote hoogten). Daarna komt steeds lager hangende grauwere bewolking met gematigde regen.

Voor het warmtefront

Een warmtefront kondigt zich aan met cirrusbewolking (hoge ijskristallen), omdat de warme vochtige lucht over de koude lucht omhoog kruipt en dus afkoelt en condenseert. Vlak voor de frontpassage zal de wind even krimpen.

Doorsnede warmtefront

Tijdens de passage van het warmtefront zal de wind van zuid oost naar zuid west ruimen. De temperatuur zal stijgen, want na het warmtefront zit je in de warme sector. De luchtdruk daalt omdat je dichter bij het centrum van het lagedrukgebied komt.

Voor het koufront

Na de warme sector komt het koufront.

Doorsnede koufront

Na de passage zal de wind ruimen van zuid west tot noord west. De temperatuur zal dalen, omdat je weer in relatief koude lucht komt. In het koudefront zitten Cumulonimbus (aambeeld bewolking). Hieruit komen zware regen en hagelbuien, onweer en windstoten. Na de passage van het koudefront is het weerbeeld buiig.

cb-wolk

Achter de frontale depressie zit vaak een trog. Dat is een gebied waar de isobaren dichter bij elkaar liggen, waardoor het dus ook harder waait. Dit in tegenstelling van een vore, dat is een gebied waar de isobaren ver uit elkaar liggen waardoor het minder hard waait.

Zeewind

Zeewind en landwind ontstaat door verschil in temperatuur tussen land en zee. Overdag stijgt de lucht boven land omdat het land sneller opwarmt. Dat “vacuüm” (thermisch laag) wordt aangevuld met lucht van zee, dat is dus de zeewind. ’s Nachts koelt het land sneller af dan de zee en daardoor daalt de lucht boven land en stijgt de lucht boven de warme zee. Het “vacuüm” op zee wordt aangevuld met lucht van land en dat veroorzaakt dus de landwind.

De stijgende lucht boven land condenseert en er ontstaat een zeewind front.

Land effecten

Als wind of stroom rond een landkaap stroomt kan daardoor de stroming enorm toenemen. Dit noemen we kaapeffecten. Als wind of stroom door een versmalling geperst wordt ontstaat het trechtereffect, er ontstaat ook een versnelling van stroom of wind.

Gribfiles

Aan boord zijn gribfiles handig omdat het kleine bestandjes zijn die binnengehaald moeten worden. Die zijn in te lezen in een grib-reader zoals www.zygrib.org. Heeft u beter internetbereik via telefoon of WIFI in de haven, dan is www.windy.com een goed alternatief. 

Mist op zee

Bij minder dan 1000m zicht spreken we van mist. Dichte mist bij minder dan 200 meter. Zeer dichte mist bij 50 meter of minder. Mist ontstaat doordat lucht met een bepaalde luchtvochtigheid afkoelt en condenseert of dat lucht met een bepaalde temperatuur vochtiger wordt waardoor condensatie optreedt. Door opwarming of onttrekking van vocht kan de mist wegtrekken.

zeemist

Mist (condensatie) ontstaat eigenlijk door twee oorzaken: menging van relatief warme vochtige lucht met koude lucht of door een koude ondergrond.

Mist door menging

Arctische zeerook

Dit is een mistsoort die ontstaat als zeer koude (arctische) lucht over reatief warm zeewater uitstroomt of de warme golfstroom ontmoet. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen in het najaar, als de zee nog relatief warm is, bij een koude noorden wind.

Regenmist of frontale mist

Deze mist ontstaat als de regen in een warmtefront, door de koude lucht op een koude ondergrond valt. Vergelijkbaar met het nemen van een warme douche in een koude badkamer.

Mist door koude ondergrond

Stralingsmist

Deze mist ontstaat boven land door vertikale luchtbeweging, convectie of uitstraling bij een heldere hemel en weinig wind (6 tot 10 kts), waardoor ’s nachts het aardoppervlak sterk afkoelt. Door de aflandige landwind in de nacht waait deze mist dan de zee op. Vooral komt dit voor bij riviermondingen, omdat de koude lucht van land naar de lager gelegen en relatief warmere rivier zakt.

Advectieve mist

Deze zeemist of zeevlam ontstaat boven zee. In het voorjaar komt deze mist voor de Nederlandse kust voor als warme vochtige zuidwesten wind over de (dan nog) koude Noordzee strijkt. Aan de oostkust van Groot-Brittannië komt zeemist dan voor bij een aanlandige, oostelijke wind.

500MB hoogtekaarten en de straalstroom (jetstream)

Als een echte meteoroloog slechts 1 kaart mag kiezen om het weer te voorspellen, dan is het waarschijnlijk de 500MB hoogtekaart. Op deze 500MB hoogtekaarten staan hoogtelijnen (dus geen isobaren!) die punten verbinden waar de druk 500MB is. Er is voor 500MB gekozen, omdat het ongeveer de helft is van de luchtdruk op zeeniveau. Let erop dat de laatste 0 altijd is weggelaten. 575 betekent dus dat de luchtdruk op 5750 meter hoogte 500MB is. De hoogtelijnen variëren tussen de 4,980 en 6,000 meter. Daar waar de hoogtelijnen dicht bij elkaar liggen is het temperatuurverschil ook groot. Koude lucht heeft een veel hogere dichtheid dan warme lucht waardoor de 500MB hoogtelijnen in warme gebieden dus hoger liggen. Daar waar de hoogte lijnen dicht op elkaar liggen zal dus het temperatuurverschil groot zijn en de straalstroom waaien die frontale depressies meebrengt. De straalstroom is duizenden km’s lang, ​honderden km’s breed, waait op 9 a 10 km hoogte en ​komt uit het westen. De straalstroom waait met wel 11Bft of meer, soms 350 km per uur. Omdat de straalstroom vergelijkbaar is aan een meanderende rivier kan deze warme lucht aanvoeren uit zuidelijke richtingen maar ook koude lucht uit noordelijke richtingen.

Zelf weerkaarten tekenen

Aangezien we tijdens een tocht naar Engeland of Scandinavië zeer waarschijnlijk geen internetverbinding hebben, kunnen we niet makkelijk weerkaarten downloaden. We kunnen wel aan de hand van een op de VHF, NAVTEX of scheepsradio ontvangen weerbericht zelf weerkaarten tekenen om beter inzicht te krijgen in de weersituatie. De scheepsradio heeft een groot bereik en het bericht is uitgebreid en heeft daarom de voorkeur. Met deze vaardigheid kunt u tijdens uw zeilreizen een veel betere voorstelling maken van de weersituatie aan de hand van een gesproken weerbericht dat u ontvangt op de radio.

Symbolen in de weerkaart

Oefening

  1. Neem het weerbericht op met een voice recorder, zodat u het na kunt luisteren, want het gaat misschien te snel. U kunt ook de laatste Shipping Forecast op BBC Radio 4 beluisteren. Ook kunt u online der Seewetterbericht van de Deutscher Wetterdienst beluisteren.
  2. Vul het schema in. Bijvoorbeeld het schema “Shipping Forecast record” uit de Reeds Nautical Almanac. Als u naar de Deutsche Wetterdienst luistert, gebruikt u de Bordwetterkarte nr 09. Hierbij is het zeer belangrijk gebruik te maken van afkortingen en symbolen, het gaat te snel om het bericht volledig uit te schrijven. Die symbolen en afkortingen moet u dan dus wel kennen.
  3. Voer uw notities in, in de kaart zoals “UK Shipping forecast areas” uit de Reeds NA of de “Bordwetterkarte 9”. In de verschillende gebieden noteert u de weergegevens, zoals: de centra van hoge en lage drukgebieden, de luchtdruk, de windrichting als windveren, neerslag en zicht (en dus ook de fronten), de isobaren per 4 of 5 Mb (uit de wind kunnen we herleiden hoe de isobaren moeten lopen), e.d.
  4. U kunt de door uzelf geconstrueerde weerkaart controleren met die van de MetOffice: Weerkaart MetOffice of de weerkaart op de website van de Deutscher Wetterdienst.

Vragen

Vraag 1: Hoe waait de wind rond een lagedrukgebied?
a: linksom
b: rechtsom
c: parallel aan de isobaren

Vraag 2: Tussen welke luchtsoorten ligt het Arctisch front?
a: arctische- en tropische
b: tropische- en polaire
c: arctische- en de polaire

Vraag 3: Waar waait het hard op de weerkaart?
a: in het koufront
b: waar de isobaren dicht bij elkaar liggen
c: in het warmtefront

Vraag 4: Met je neus in de wind ligt het hoge druk gebied:
a: links voor
b: rechts achter
c: rechts voor

Vraag 5: Ruimende wind is bijvoorbeeld de kleine winddraaiing van:
a: oost naar noord
b: zuid naar oost
c: zuid naar west

Vraag 6: Stormachtige wind komt overeen met windkracht:
a: 7
b: 8
c: 9

Vraag 7: Wat doet de wind na het passeren van een koufront?
a: ruimt naar NW
b: krimpt naar Z
c: krimpt naar N

Vraag 8: Hoe heet een aambeeldwolk ook wel?
a: Cumulus
b: Nimbostratus
c: Cumulonimbus

Vraag 9: Oostenwind is…
a: maritiem continentaal
b: polair continentaal
c: polair tropisch

Vraag 10: Een zuidwesten wind in het voorjaar is op zee?
a: koude massa weer
b: warme massa weer
c: geen van beide

Vraag 11: Hoeveel graden koelt de lucht af met 100 meter opstijging?
a: 1 graad
b: 2 graden
c: 3 graden

Vraag 12: Wat is convectie?
a: afkoeling
b: verwarming
c: krimpende wind

Vraag 13: Wat is 1 atmosfeer = de gemiddelde druk op zeeniveau = ongeveer 1 bar?
a: 1003hpa
b: 1023hpa
c: 1013hpa

Vraag 14: Wat heeft de minste invloed op de treksnelheid van een frontale depressie?
a: temperatuurverschil sectoren
b: windsnelheid op zee niveau
c: straalstroom

Vraag 15: Wanneer is het temperatuurverschil tussen zeeniveau en op een paar kilometer hoogte het grootste?
a: in de winter
b: maakt niet uit
c: in de zomer

Vraag 16: Is er op zeeniveau in een hogedrukgebied sprake van convergentie of divergentie?
a: convergentie
a: divergentie
c: geen van beide

Vraag 17: Waarvan is sprake bovenin de atmosfeer bij een lagedrukgebied?
a: divergentie
b: convergentie
c: geen van beide

Vraag 18: Komen de aambeeldwolken (Cb) in de zomer of in de winter hoger in de atmosfeer?
a: in de winter
b: in de zomer

Vraag 19: Wanneer is de kans het grootste op enorm grote hagelstenen?
a: in de lente
b: in de winter
c: in de zomer

Vraag 20:Hoeveel meter zouden we moeten stijgen om 1 hectopascal daling van de baromoter af te kunnen lezen?
a: 50 meter
b: 100 meter
c: 8 meter

antwoorden

1a, 2c, 3b, 4a, 5c, 6b, 7a. 8c, 9b, 10b, 11a, 12b, 13c, 14b, 15c, 16a, 17a, 18b, 19c, 20c