Binnenvaart Reglementen

In vaarbewijs 1 leert u de theorie van het varen op rivieren, kanalen en meren en is de perfecte voorbereiding op het vaarbewijs examen. Het vaarbewijs is verplicht voor schepen die langer zijn dan 15 meter of sneller kunnen varen dan 20 km/u. Door middel van de cursus Vaarbewijs 2 leert u navigeren op ruim binnenwater zoals het IJsselmeer en Waddenzee. Als u Klein Vaarbewijs 2 wilt doen, is deze cursus Kustnavigatie ook meer dan voldoende als voorbereiding.

Vaarbewijs 1 examen

U moet 18 jaar zijn om een Klein Vaarbewijs 1 aan te vragen en voldoen aan de keuringseisen voor de binnenvaart. U ondertekent daarvoor een medische gezondheidsverklaring. Het Klein Vaarbewijs I is onbeperkt geldig, tenzij u een bepaalde medische beperking heeft. Om u aan te melden voor het examen gaat u naar CBR. 

Soorten vaarbewijzen

Wat vereist is, is afhankelijk van het schip en het vaarwater. De voorschriften zijn opgenomen in het Binnenvaartbesluit. In de Binnenvaartregeling zijn voornamelijk veel uitzonderingen en vrijstellingen te vinden.

Verschil tussen Vaarbewijs 1 en 2

Zowel Groot, Beperkt Groot en Klein Vaarbewijs is er in 2 “onderdelen” afhankelijk van het vaarwater:

Vaarbewijs 1: voor rivieren, kanalen en meren
Vaarbewijs 2. voor alle binnenwateren

Vaarbewijs 2 is dus vereist op ruime binnenwateren, zoals: de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer (met uitzondering van de Gouwzee, dat is Vaarbewijs 1 gebied).

Verschil tussen Groot, Beperkt Groot en Klein Vaarbewijs

Een klein vaarbewijs is vereist voor schippers op:
Schepen (zoals vrachtschepen) met een lengte van 15 – 20 meter.Pleziervaartuigen met een lengte van 15 – 25 meter. Sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van 15 – 25 meter, die uitsluitend recreatief gebruikt worden (verklaring Minister verplicht). Speedboten en jetski’s die sneller kunnen dan 20 kilometer per uur.

Een beperkt groot vaarbewijs is vereist voor schippers op schepen (zoals vrachtschepen) met een lengte van 20 – 40 meter, met uitzondering van pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter (want dan is Klein Vaarbewijs dus al voldoende) en voor de volgende schepen is Beperkt groot vaarbewijs niet voldoende, want Groot Vaarbewijs is dan vereist: Passagiersschepen; Veerponten voor meer dan twaalf personen of sneller kunnen dan 30 kilometer per uur, Veerboten, Sleepboten, duwboten of sleepduwboten. Uitzondering zijn sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van 25 – 40 meter uitsluitend voor recreatief gebruik (met verklaring van de Minister). Deze hebben wel voldoende aan een Beperkt groot vaarbewijs.

Groot vaarbewijs is, tenzij er dus een eerdergenoemde uitzondering van toepassing is, vereist voor schippers op: Schepen met een lengte van ten minste 20 meter; Passagiersschepen, Veerponten voor meer dan twaalf personen of sneller kunnen dan 30 kilometer per uur, Veerboten, Sleepboten

International Certificate of Competence ICC

Aan houders van een geldig Klein Vaarbewijs I of II wordt ook een ICC verstrekt. Het ICC is makkelijk als u in een ander land in Europa gaat varen, bijvoorbeeld als u een schip gaat huren of bijvoorbeeld met uw schip een haven in Frankrijk aandoet. Ook wat het ICC betreft zijn er 2 delen:
Klein vaarbewijs I = ICC inland;
Klein vaarbewijs II = ICC inland + coastal;

De wettelijke bepalingen die in het Vaarbewijs 1 examen getoetst worden zijn de onderstaande wetten. Wij hebben voor u, met behulp van het Examendocument Klein Vaarbewijs I van het CBR, op een rijtje gezet welke artikelen u moet kennen. Zo leest u dus alleen de artikelen die onderdeel uitmaken van het examen.

Scheepvaartverkeerswet (SVW)

Binnenvaartwet (BVW), Binnenvaartbesluit (BVB), Binnenvaartregeling (BVR)

Het belang van de BVW voor de recreatievaart.

Wetboek van Koophandel

Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)

Het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR)

Overige binnenvaart reglementen

Van de volgende wetten dient u voor het vaarbewijs 1 examen alleen te weten waar deze wetten van toepassing zijn:

  • Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen (SRKGT)
  • Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas (SRGM)
  • Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 (SRW)
  • Internationale Bepalingen ter voorkoming van Aanvaringen op Zee (BVA)
  • Scheepvaartreglement Eemsmonding (SRE)

Vragen en antwoorden

Vraag 1: Wat heeft u nodig als u vaart met een sleepboot of duwboot met een lengte van 36 meter, die u alleen als pleziervaartuig gebruikt?

a:Klein vaarbewijs 2
b:Klein vaarbewijs 1
c:Beperkt groot vaarbewijs

Vraag 2: Als u met catamaran harder kunt zeilen dan 20 kilometer per uur, heeft u dan een vaarbewijs nodig?

a: alleen op zee
b: ja
c: nee

Vraag 3: Heeft u met een speedboot op het IJsselmeer voldoende aan Klein Vaarbewijs 1?

a: nee
b: ja

Vraag 4: Wat heeft u nodig als u vaart met een schip met een lengte van 43 meter?

a: Groot Vaarbewijs
b: Beperkt groot vaarbewijs
c: Klein vaarbewijs 2

Vraag 5: Wat is geen onderwerp van vaarbewijs 1?

a: getijden berekeningen
b: Veiligheid
c: Dieseltechniek

Vraag 6: Heeft u met een boot van 14 meter die 25 kilometer per uur kan varen op de motor een klein vaarbewijs nodig?

a: nee
b: ja

Vraag 7: Wat heeft u nodig als u vaart met een vrachtschip voor bedrijfsmatig vervoer met een lengte van 33 meter?

a: Klein Vaarbewijs 2
b: Beperkt Groot Vaarbewijs
c: Groot vaarbewijs

Vraag 8: Wat is de minimum leeftijd voor het bezitten van het vaarbewijs?

a: 16 jaar
b: 18 jaar
c: 21 jaar

Vraag 9: Wat heeft u nodig als u vaart met een passagiersschip voor bedrijfsmatig vervoer van 15 passagiers?

a: TKN
b: Klein vaarbewijs 2
c: Groot vaarbewijs

Vraag 10: Om een Klein Vaarbewijs te krijgen moet u dan voldoen aan de medische keuringseisen voor de binnenvaart?

a: ja
b: nee

Vraag 11: Welk reglement is er van toepassing op de Oosterschelde?

a: BVA
b: SRW
c: BPR

Vraag 12: Welke wet stelt veiligheidseisen aan schip en bemanning?

a: Binnenschepenwet
b: Scheepvaartverkeerswet
c: Wetboek van Koophandel

Vraag 13: Wat is in het BPR een Klein schip?

a: Kleiner dan 15 meter
b: kleiner dan 20 meter
c: vissersschip

Vraag 14: U ziet een wit licht boven een rood licht. Dit is een:

a: Zeilboot
b: Motorboot
c: Roeiboot

Vraag 15: U ziet een groen boven een wit licht. Dit is een:

a: Vissend schip
b: Vrijvarende pont
c: Niet-vrijvarende pont

Vraag 16: De minimumleeftijd voor een klein speedbootje dat 30 kilometer per uur kan is:

a: 16
b: 14
c: 18

Vraag 17: Een onderbord met “sport” is van toepassing op:

a: Schepen tot 20 meter
b: Speedboten
c: Waterskiërs

Vraag 18: Een groot motorschip en een groot zeilschip sturen recht tegen elkaar in het BPR gebied. Wie moet wijken?

a: Het zeilschip
b: Het motorschip
c: Beide schepen

Vraag 19: Als een opvarend schip, door diepgang, de binnenbocht niet aan bakboord kan houden zal hij als volgt voorbij willen varen:

a: groen op groen
b: rood op rood
c: blauwvaren

Vraag 20: Een klein schip met stroom mee in het BPR gebied ligt op aanvaringskoers met een binnenvaartschip, omdat ze beiden door openstaande sluis willen varen. Wie moet wijken?

a: het kleine schip
b: het binnenvaartschip
c:is niet geregeld

Antwoorden

1c, 2c, 3a, 4a, 5a, 6b, 7b, 8b, 9c, 10a, 11c, 12a, 13b, 14b, 15c, 16c, 17a, 18c, 19b, 20b.